06-07-2016

Cultural Connections: talentontwikkeling

Jonge kunstenaars en ‘makers’ hebben het moeilijk, de jaren na hun afstuderen. Velen haken af of zien hun ontwikkeling stagneren. Hoe kan dit beter? Met die vraag is één van de Interventureteams van LinC 3 (Simone Hogendijk, Janelle Moerman, Linda Mol en Roosmarijn Ubink) sinds begin dit jaar aan de slag. Inmiddels is duidelijk dat er veel partijen bij dit vraagstuk betrokken zijn. Daarom werden op 27 juni vertegenwoordigers van de overheid, fondsen, culturele instellingen, onderwijsinstellingen en jonge makers bijeengebracht op een Cultural Connectionsbijeenkomst. Wat kan beter, en wie moet dat doen?

Wat talentontwikkeling precies is verschilt per tijd en plaats, maar ieder talent heeft ondersteuning nodig om tot bloei te komen. Met dat inzicht opende het Interventureteam de bijeenkomst. Hun observatie dat er op dit moment veel struikelblokken en hindernissen zijn, werd onderschreven door de experts die enthousiast hun ervaringen en visie deelden.

Experts

Waar lopen jonge kunst- en cultuurmakers na hun afstuderen tegenaan? Theatermaker Wilhelmer van Efferink deelde als eerste zijn gedachten. “Iedereen wil eerst iets van je zien, maar daarvoor ontbreken de middelen”. Hij pleitte voor een andere invulling van het begrip ‘jonge maker’. Dat slaat nu op de eerste drie jaar na het afstuderen: die periode zijn er nog wel regelingen, daarna niet meer. Ten onrechte, want dan zit de jonge maker nog midden in zijn ‘theatrale pubertijd’. De meeste makers zijn pas rond hun 27e volwassen en ervaren genoeg om werk met een eigen signatuur te maken.

Jonge kunstenaars voegen zich nu noodgedwongen in kortetermijntrajecten die niet goed aansluiten bij hun behoeften.

Marjan Hammersma (OCW) benadrukte het belang dat het ministerie hecht aan de ontwikkeling van toptalent. Daar is zelfs 8 miljoen euro voor vrijgemaakt. Een deel gaat naar stimuleringsprogramma’s, een deel is beschikbaar als lening via Cultuur en Ondernemen. De regelingen worden uitgevoerd door fondsen, hun definitie van ‘jonge maker’ kan wellicht ruimer. Hammersma stelde dat de tijd en ruimte die nodig zijn om talent tot wasdom te laten komen, momenteel soms ontbreken.

Je bent niet van het ene op het andere moment een toptalent. Er is tijd en ruimte nodig om talent te ontwikkelen. Dat neem ik mee naar Den Haag.

Volgens Hendrik Driessen, directeur van Museum De Pont, is het vooral van belang dat jonge kunstenaars zich onder de vleugels van gearriveerde makers kunnen ontwikkelen. Er zijn bijvoorbeeld veel te weinig podia waar talenten kunnen onderzoeken wat voor hen het beste werkt. Jonge makers verdienen meer vertrouwen.

Er bestaan geen kant en klare oplossing, we hebben per discipline en plek andere oplossingen nodig. Het is aan de jonge generatie zelf om daarvoor op te komen.

Fondsen, zoals het AFK van directeur Clayde Menso, zoeken naar concrete ondersteuning. Menso: “We zien in Amsterdam vooral talenten die geen woon- en werkruimte kunnen vinden. De instellingen kunnen het beste bepalen wie de echte talenten zijn, wij helpen via de 3PackageDeal vervolgens met huisvesting, ontwikkelbudget, spreekuren, cultuurverkenners, crowdfunding via Voordekunst en delen ons netwerk, zodat zij vlieguren kunnen maken.”

Er is meer ruimte en budget nodig voor het onverwachte.

Maarten Verhoef, artistiek leider van de afdeling muziektheater ArtEz Hogescholen, prikkelt de aanwezigen met zijn stelling dat talentontwikkeling een lucratief product is geworden. Studenten worden er veel te vroeg mee lastig gevallen, de opleidingen zijn er niet om hen te leren hun broek op te houden. We moeten naar artistiek ondernemerschap in plaats van cultureel ondernemerschap.

Talentontwikkeling gaat niet om aantallen maar om kwaliteit’

LinC Cultural Connections bjeenkomst

Wat nu?

Vijf perspectieven op het thema, waar raken ze elkaar? Waar kan worden samengewerkt om de kansen van jonge makers te vergroten? Daarmee gingen de aanwezigen vervolgens aan de slag. De belangrijkste inzichten:

  • Fondsen: De coördinerende rol (financiering, woon/werkruimte, netwerk) is van groot belang. Er zijn momenteel te weinig mogelijkheden voor interdisciplinair talent en de fondsen kunnen een rol spelen bij regionaal maatwerk.
  • Opleidingen: Het curriculum is doorgaans van hoog niveau maar er vindt weinig uitwisseling met andere studierichtingen plaats. Maatwerk en coaching zijn mogelijk een goede aanvulling. Vooral van belang is betere aansluiting van de opleidingen binnen de gehele keten. Alumni zijn niet meteen klaar voor de top. Daarnaast wordt duidelijk dat er relatief veel makers worden opgeleid, de selectie zou idealiter strenger zijn maar dat raakt aan de financiering van het stelsel.
  • Makers: Het helpt als instellingen tijd en (fysieke) ruimte reserveren om kennis te delen met een jonge generatie makers of mensen uit het veld. Er is behoefte aan meer potjes voor onderzoek waar geen prestatie of presentatie aan gekoppeld is en aan regelingen die meer kleine stappen mogelijk maken (ook financiering voor onderzoek of research bijvoorbeeld). Het geld moet naar de maker en verdeeld worden via de maker en niet via organisaties of instelling, gezelschappen die investeren in talent verdienen beloning en het is goed als geld dat overblijft geïnvesteerd kan worden in plaats van teruggegeven moet worden.
  • Cultuurinstellingen/podia: Er zijn te weinig plekken voor jonge makers. Er worden meerdere oplossingen bedacht. Fellowprogramma’s en meer samenwerking met gearriveerde kunstenaars kunnen hier een bijdrage leveren. Ook is het goed als toetsing vaker achteraf plaatsvindt, nu wordt van tevoren vaak al beslist dat iets niet haalbaar is.
  • Overheid: Door de BIS-periode te verlengen van 4 naar 6 jaar ontstaat een ander ritme, dat beter past bij de ontwikkeling van toptalent. De overheid kan kiezen voor minder maar betere opleidingen en minder in termen van rendement kijken naar het kunstonderwijs. Regelingen zouden kunnen voorzien in een deel van het budget (10%) dat pas achteraf verantwoord hoeft te worden.

LinC Cultural Connections bjeenkomst

Wie gaat het doen?

Wie pakt dit op? In ieder geval nemen de experts deze inzichten mee naar huis. Ze hebben geleerd dat meer afstemming en middelen wenselijk zijn. Ook kan de talentontwikkeling duurzamer, met kleinere stappen. Het Interventureteam werkt de komende maanden verder aan het in gang zetten van mogelijke oplossingen. Het laatste woord is aan de jonge kunstenaar, Wilhelmer van Efferink: “Er zouden geen kunstopleidingen op mbo-niveau moeten zijn, verder zijn de opleidingen in Nederland goed. De jaren na hun afstuderen zijn kunstenaars te veel afhankelijk. Dáár ligt de sleutel.”

Film en foto’s van deze bijeenkomst zijn gemaakt door Sebastiaan ter Burg, de foto’s zijn hier online te vinden.