Iselien1
25-05-2017

Opinie: Passie in kunst en cultuur wordt alleen voorwaardelijk gewaardeerd

Door Iselien Nabben, adviseur sociale innovatie en leidserschapsontwikkeling bij Kennisland en programmaleider van LinC.

“Passie gewaardeerd”. Dat is de titel van het rapport dat de SER en de Raad voor Cultuur op vrijdag 21 april 2017 presenteerden. Kern van het rapport is de constatering dat het slecht gaat in de kunst- en cultuursector: Het is droevig gesteld met de arbeidspositie van professionals in de sector, salarissen zijn laag en de vele zzp’ers in de sector, zowel makers als mogelijkmakers, kunnen geen goede tarieven meer vragen voor hun werk. De intrinsieke motivatie en gedrevenheid van makers en professionals in deze sector zorgen ervoor dat er keihard wordt doorgewerkt, ook als inkomsten achterblijven. De oplossing – zo zegt het rapport – moet gezocht worden in het vergroten van het verdienvermogen en de zekerheid van inkomsten, het bevorderen van opleiding en meer samenwerking.

Intussen wordt er vanuit de overheid vooral nadruk gelegd op het stimuleren van ondernemerschap in cultuur. Tussen 2012 en 2016 kreeg dit vorm in het programma Ondernemerschap Cultuur. In de komende jaren is er nog eens € 1,57 miljoen per jaar beschikbaar gesteld voor het stimuleren van ondernemerschap in cultuur. Onderdeel van dat programma was Leiderschap in Cultuur (LinC), een leerprogramma ter ondersteuning van professionalisering en ontwikkeling van individueel en collectief leiderschap.

De gedrevenheid en volharding van professionals en leiders in cultuur is evident. LinC is gestart in 2013 en inmiddels uitgegroeid tot een netwerk van 138 leiders en professionals in cultuur die allemaal het programma hebben doorlopen. Het programma is zo intensief omdat het niet alleen kennis aanbiedt, maar ook van deelnemers vraagt zelf nieuwe kennis te creëren, inzichten direct in de praktijk te brengen, zichzelf door en door te leren kennen, hun leiderschapsrol te toetsen in de groep en samen te werken aan taaie vraagstukken en nieuwe oplossingsrichtingen.

Bij aanvang van het programma was er nog een licht wantrouwen vanuit de culturele sector tegen deze ‘nieuwe vorm van subsidiëring’: “Waarom krijgen we dat geld niet gewoon voor ons werk?”. Maar nu wordt het leerprogramma gretig ingezet om aan innovatie van de sector te werken, nieuwe samenwerkingen aan te gaan en nieuwe mogelijkheden uit te proberen om het verdienvermogen te vergroten.

We constateren na vier jaar Leiderschap in Cultuur absoluut geen gebrek aan ondernemerschap. Ondernemen en een ‘doenersmentaliteit’ zijn een tweede natuur van professionals en leiders in deze sector. We hebben veel deelnemers van LinC juist wat ‘los moeten weken’ van hun werk en van het continu bezig zijn met zoeken naar nieuwe mogelijkheden, toepassingsvormen en nieuwe projecten. We verleiden hen om wat meer afstand te nemen, het grotere geheel in ogenschouw te nemen en daarin andere afwegingen te maken. Er valt wel nog wat te doen aan het organisatievermogen; dat kan slimmer, creatiever en professioneler. En ja, ook in deze sector bestaat de neiging om zich naar binnen te keren, zichzelf naast de samenleving te positioneren in plaats van er middenin.

Disbalans tussen vraag en aanbod

Ondanks alle inspanningen moeten we constateren dat de door het kabinet Rutte voorgespiegelde verbeteringen in zelfredzaamheid niet gerealiseerd zijn. De economische waarde van kunst en cultuur is niet ‘vanzelfsprekend’ te maken. De markt reageert weerbarstig, het publiek blijft ‘hard to get’. Ook de maatregelen die zijn genomen om subsidie te koppelen aan ‘derde geldstromen’, blijkt tegen te vallen.

Het probleem – zo zegt het rapport – is de disbalans tussen vraag en aanbod. De kunst- en cultuursector maakt niet iets moois omdat erom gevraagd wordt, maar omdat de maker zelf denkt dat het mooi of interessant is of om welke reden dan ook belangrijk om te maken. Daar zit de crux. In kunst en cultuur zou men geen kleur moeten bekennen. Het gaat niet om het innemen van een gebruikelijk of ‘trendy’ maatschappelijk of politiek standpunt. Kunst en cultuur brengen een andere taal en een ander idioom in en hebben juist daarom bestaansrecht. Soms maken kunst en cultuur gelukkig, soms leggen ze iets bloot, soms verpakken ze iets mooi, soms laten ze iets anders zien of laten ze je anders kijken, soms helpen ze je te voelen, soms zijn ze een vorm van onderzoek.

Soms is het gewoon wat het is.

De kunst- en cultuursector als ‘maatschappelijk adviesbureau’?

En toch blijven we voorwaarden stellen aan de waardering van kunst en cultuur. In alle uitingen van de rijksoverheid en in de rapporten van de SER en de Raad voor Cultuur wordt met name de maatschappelijke waarde lyrisch verwoord. “Kunst en cultuur bevorderen het creatieve, het innovatieve en het reflectievermogen van de samenleving.” Er wordt steeds meer een beroep gedaan op het vergroten van die maatschappelijke impact. Minister Bussemaker heeft aan het begin van haar kabinetsperiode het bestaansrecht van de sector (en dus van de subsidies) zelfs gekoppeld aan de verbinding met maatschappelijke vraagstukken.

In het LinC-programma hebben we deze hypothese onderzocht: kan het creatieve, artistieke vermogen van leiders in cultuur toegevoegde waarde hebben bij het aanpakken van maatschappelijke vraagstukken? Ja, natuurlijk. Al jaren is dat zo en het kan zeker geen kwaad om verder te experimenteren met cross-overs tussen kunst en maatschappelijke vraagstukken of te zoeken naar nieuwe vormen van samenwerking tussen makers, creatieven en professionals uit andere sectoren. Er kan zeker meer uit een samenwerking tussen sectoren komen dan een woensdagmiddagtheatervoorstelling op school of een leuke muziekavond in een verzorgingstehuis. Maar betekent dit ook dat mensen in de kunst en cultuur zich constant bewust moeten zijn van hun maatschappelijke impact of zelfs dat hun derde geldstromen moeten komen uit een vorm van maatschappelijk advieswerk? Ik vind van niet.

Discussie over waarde verwatert waar kunst en cultuur echt over gaan

Vanuit de rechtse hoek moet de kunst- en cultuursector zijn economische waarde laten zien en vanuit de linkse hoek zijn maatschappelijke waarde. Maar door deze nadruk op meerwaarde vanuit economisch dan wel maatschappelijk perspectief ontstaat ook een niet-waarderen van kunst en cultuur als zodanig. Want die waardering is op deze manier altijd voorwaardelijk. Het stellen van voorwaarden verwatert de aandacht voor kwaliteit, voor esthetiek, voor kunstgeschiedenis en voor kennis van de kunst. Arjen Lubach verwoordde het onlangs kernachtig in College Tour:

“Zodra we gaan nadenken over onze maatschappelijke impact worden we minder leuk.”

Kunst en cultuur zijn onderdeel van de samenleving en zo zou de sector zichzelf ook moeten positioneren: niet naast, boven of voor, maar middenin de maatschappij.

Passie wordt pas echt gewaardeerd als we er als collectief en onvoorwaardelijk voor willen betalen, niet door het aan de markt over te laten en ook niet door er vooraf eenzijdige verwachtingen aan te verbinden. Daarmee is de kunst- en cultuursector overigens niet verschoond van de plicht zich te kunnen legitimeren. Maar waarde wordt pas achteraf duidelijk. De wijze van financieren zou meer (ongewone) samenwerkingen mogelijk moeten maken, meer nadruk moeten leggen op het faciliteren en achteraf evalueren, dan op het vooraf waarderen. Alleen dan is vernieuwing in de sector mogelijk.

Vanzelfsprekend vraagt dit om een ondernemende houding, maar dat gaat niet alleen over het creëren van eigen inkomsten, maar juist over het zoeken naar nieuwe samenwerkingen, bij voorkeur over de landsgrenzen heen. In het rapport van de SER en de Raad voor Cultuur wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen ‘zij die weerbaar en zelfredzaam zijn’ en ‘zij die kwetsbaar zijn’. Ik denk dat dit onderscheid niet klopt en ongelijkheid alleen maar vergroot. In kunst en cultuur kan kwetsbaar best veelbelovend en weerbaar zijn, en kan zelfredzaam juist kwetsbaar zijn. Zie bijvoorbeeld de kwetsbare performance van Salvador Sobral die juist daarom het Eurovisie Songfestival 2017 won of kijk naar de grote groep zzp’ers die volhardend en gepassioneerd nieuwe wegen blijft zoeken om zich staande te houden in de kunst en cultuur. Zij zijn kwetsbaar, weerbaar én zelfredzaam.