Foto: O Palsson/CC BY
19-06-2017

Tien overlevingsstrategieën voor kleine musea

Kleine musea hebben last van het succes van grote musea. Het zijn ‘ploetermusea’ die nauwelijks het hoofd boven water houden, zo oordeelden Trouw en NRC vorig jaar. Hoe denken directeuren van kleine musea daar zelf over? Wat is hun kracht? Bibi Bodegom (LinC 3) zet tien overlevingsstrategieën op een rij.

Als museumadviseur kom ik wekelijks bij kleine cultuurhistorische en lokale musea. Musea die gerund worden met 80 tot 100% vrijwilligers. Ik herken mijzelf in de passie van de medewerkers voor het erfgoed; de liefde en zorg voor voorwerpen die de lokale, regionale of nationale geschiedenis illustreren. Ik snap de ‘alles is van waarde’-mentaliteit, die ik als kind ook bezat. Tegelijkertijd zie ik de worsteling van soms verouderde of naar binnen gerichte organisaties hoe mee te komen met deze tijd. Hoe nieuw publiek te bereiken met nieuwe toepassingen in het licht van dalende gemeentelijke of provinciale financiële steun.

Negatief beeld
NRC kopte in juli 2016 ‘Kleinere musea bang voor marginalisering’. Niet veel later haakte Trouw in met ‘De negatieve spiraal van de kleine musea’. De artikelen schetsen een trend van kleine (ploeter)musea met dalende bezoekcijfers en grotere financiële druk. De artikelen verschenen naar aanleiding van de jaarlijkse publicatie van de Nederlandse Museumvereniging met museumcijfers, deze keer van 2014. Maar klopt dit negatieve beeld van ploeterende kleine musea eigenlijk nog wel? Ik legde de vraag voor aan diverse museumdirecteuren van kleine musea uit Gelderland.

Ploeteren? Welnee! “We werken hard, met veel enthousiasme en vol passie met professionals en vrijwilligers”, zegt Nicole Spaans van het Weeshuis Museum in Culemborg. In 2014 heropende het als belevenismuseum waarin het leven van de weeskinderen centraal staat. Het museum zet daarnaast in op kwalitatieve tentoonstellingen zoals de ‘100 jaar Gispen’ tentoonstelling die ook in Museum Boijmans van Beuningen te zien was. Dit jaar stijgen de bezoekcijfers naar verwachting weer met tien procent.

Jonge meiden in oude schorten
Er zijn nog veel meer goede voorbeelden. Kleine musea die zichzelf opnieuw uitvinden en durven te experimenteren. Bijvoorbeeld door volledig virtueel te gaan, zoals het Florence Nightingale Instituut in Culemborg dat de deuren dicht deed en tegenwoordig met lezingen en pop-up tentoonstellingen on- en offline haar doelgroep opzoekt. Musea zoals het Nederlands Bakkerijmuseum dat de geschiedenis van brood en banket beleefbaar maakt met hilarische bakdemonstraties, waardoor mensen van heinde en verre naar Hattem komen. Jonge meiden in ouderwetse schorten ontvangen je in de museumwinkel en er lopen voortdurend bakkers in tenue rond. Er is goed nagedacht over het museumverhaal en dit is tot in de kleinste details (de grote krakeling bij de koffie) doorgevoerd.

Ook het Stadsmuseum Harderwijk is zo’n voorbeeldmuseum. De nieuwe directeur zorgde er in twee jaar tijd voor dat de bezoekcijfers stegen van 3.000 naar 19.000 betalende bezoekers per jaar. Het concept? Elke zes weken gratis toegankelijke, kwalitatieve exposities waardoor steeds weer andere lokale ‘liefhebbers’ over de vloer komen. Museumdirecteur Tiana Wilhelm van de Musea Zutphen vindt de benadering in de krantenartikelen ook te negatief: “Het succes van de grote musea is goed voor de sector en dat is goed voor alle musea. Musea, ongeacht hun grootte, moeten weten wat hun kracht is en daarop sturen en varen.”

Survivalgids
Er is daarnaast een groot improvisatietalent bij kleine musea. Kleine musea staan midden in de maatschappij en ze zijn laagdrempelig; als het ware instapmusea voor non-bezoekers. Ze kunnen toegespitste tentoonstellingen maken over maatschappelijke onderwerpen die aan een stad of streek gelinkt zijn.

Toch is het voor kleine musea niet altijd even makkelijk om bezuinigingen het hoofd te bieden, hier ondernemend mee om te gaan of zich flexibel aan te passen aan een voortdurend veranderende maatschappij. Zeker waar het de kleine musea betreft die met vrijwilligers worden gerund. Herken je jezelf in het negatieve beeld dat aan het begin van het artikel geschetst werd? En ben je het zat een “ploetermuseum” te zijn? Ben je op zoek naar handvatten om van richting te veranderen? Ga dan aan de slag met onderstaande praktisch toepasbare survivalgids voor kleine musea.

Tien strategieën voor kleine musea

1. Ontwikkel je persoonlijk leiderschap. Zorg voor verscheidenheid in staf en bestuur. Nodig eens bewust andersdenkenden uit om je te adviseren over de richting van het museum. Leid je medewerkers op en investeer in hun groei. Huur waar nodig kennis in waar deze in het museum ontbreekt. Heb lef, kies koers en ga krachtig vooruit!

2. Bepaal je unieke verhaal en trek dat in alle opzichten door in het museum. Maak keuzes bij de presentatie van objecten. Ga voor kwaliteit en let op details. Heb een duidelijke contentstrategie en vertel je verhaal vanuit je eigen kracht. Doe aan storytelling.

3. Prikkel alle zintuigen. Verweef de rode draad van je verhaal in de beleving van je museum van ingang tot uitgang. Kleed je personeel in thema aan. Dompel je publiek onder in de gekozen sfeer met geur, geluid, smaak en gevoel, maak er een beleving van. Wees immersive!

4. Ken je publiek. Maak een duidelijke keuze voor wie je het doet, waarmee je deze mensen wilt bereiken en hoe je dat wil doen. Zijn gezinnen met kinderen je belangrijkste doelgroep? Dan is er een flessenverwarmer en een verschoonplek voor baby’s met bijbehorende luieremmer. Maak zonodig een zogenaamde klantreis (customer journey) om de ervaring van de klant beter in kaart te brengen.

5. Wees ondernemend. Leg verbanden met (lokale)ondernemers en verken de samenwerking. Schenk de lekkerste koffie in het museumcafé, wees de beste museumwinkel in de verste omtrek. Onderzoek mengvormen van financiering en nieuwe tools om inkomsten binnen te halen als webwinkel, e-ticketing of crowdfunding.

6. Durf te experimenteren en te vernieuwen. Juist kleine musea kunnen dingen uitproberen en fouten maken waar grotere organisaties veel meer te verliezen hebben. Doordat er minder schijven zijn bij het nemen van beslissingen kun je veel sneller schakelen. Gebrek aan ruimte vang je op met innovatieve publiekstoepassingen.

7. Wees inclusief. Denk na over je maatschappelijke rol en ga de verbinding aan met lokale inwoners en bijzondere groepen. Nodig juist die groepen uit die (nog) geen standaard bezoekers zijn van je museum. Welke behoeftes en vragen heeft deze groep waar jij eventueel op in kunt spelen en een antwoord op hebt?

8. Maak makers van je publiek! Jongeren in de leeftijd van 12-18 jaar en 18-25 jaar zijn doorgaans moeilijk te bereiken met cultuur. Activeer ze door ze als makers bij het museum te betrekken. Laat ze je nieuwe website, quiz, tentoonstelling of app bedenken. Of treed op als opdrachtgever in het kader van hun opleiding.

9. Betrek het onderwijs. Juist wat betreft de lokale geschiedenis heb je als streek- of stadsmuseum de plaatselijke school veel te bieden. Werk samen met de (regionale) onderwijscoördinator, geschiedenisleraar of -lerares. Haak zo mogelijk aan bij al bestaande educatieve samenwerkingsprojecten.

10. Zet in op een sterke marketingstrategie vanuit de inhoud. Kies de juiste communicatiekanalen en maak dáár reclame waar je publiek zich bevindt. Gebruik daarbij de media die je doelgroep gebruikt. Kies voor een originele invalshoek en wees authentiek.