paul cornelissen
02-08-2017

‘De Nederlandse podiumkunsten: wit, heel wit’

Waarom ontbreekt het in de Nederlandse podiumkunsten aan kleur en maatschappelijke urgentie? vroeg Paul Cornelissen, oud LinC-deelnemer en Manager Programmering & Events bij Theaters Tilburg, zich af. In dit artikel onderzoekt hij de stand van zaken en formuleert hij suggesties voor hoe het ook kan.

Vluchtelingenproblematiek, de irrationele opkomst van Donald Trump, versnelde klimaatverandering, een nieuwe internationale monetaire crisis, toenemend racisme en nationalisme; ik lees erover in de toonaangevende romans van dit moment (Jonathan Frantzen, Dave Eggers, Zadie Smith). Ik kan kiezen uit een keur aan relevante documentaires (Michael Moore was er weer snel bij met Trumpland) en de hedendaagse beeldende kunst sluit aan en loopt zelfs voor op de meest actuele maatschappelijke thema’s (Jonas Staal e.a.). In de dans zie ik mooie urgente producties en in de muziek zijn jonge singer-songwriters ons nieuwe geweten.

Nostalgisch aanbod
Actualiteit en relevantie is van levensbelang voor het overleven van de kunsten in deze barre tijden, dat stond al een tijdje vast. Zo werd het door de sector zelf ook opgevat toen de bezuinigingen na 2009 fors toesloegen; we moesten met z’n allen werken aan de legitimatie van de sector. Die zat en zit ‘m voor een belangrijk deel in het zichtbaar, inzichtelijk en begrijpelijk maken van het tijdsgewricht waarin we nu leven. Toon de realiteit en de mechanismen die erachter schuilen; bied ruimte voor interpretatie en analyse; daar hebben we de kunsten voor! Een uitdagende en inspirerende opdracht zou je zeggen.

Met dit gegeven in het achterhoofd bekijk ik als theaterdirecteur en programmeur het nieuwe aanbod voor het podiumseizoen 2017-2018. Mijn opdracht is duidelijk: sluit met de theaterprogrammering aan op de mix van behoeften van ons publiek (lokale schouwburg met zo’n 600 stoelen): actueel, vermakelijk/verrassend, relevant én van hoge kwaliteit. Een mooie opdracht waar, als het goed is, de gezelschappen, (jonge) makers, impresariaten en producenten eendrachtig aan werken. Hier gaat het helaas mis als ik naar de stapel aanbiedingen kijk. Wat ik aantref is behoudend, bekend, veilig en nostalgisch. En bovendien: wit, heel wit.

Een rijkgevulde saladebak
Het is altijd weer een feest om te spitten in het aanbod voor het theaterseizoen. Wie maakt welke voorstelling en met wie? Welke jonge allochtone en autochtone talenten worden komend seizoen nog eens extra op het schild gehesen? Welke nieuwe gezichten zijn er, waar komen ze vandaan en met welke gerenommeerde of nieuwe regisseur gaan ze werken? Let wel: ik programmeer voor een middelgroot theater in de provincie, waar de gesubsidieerde gezelschappen met hun stukken pas in het tweede jaar aan een eventuele herneming toekomen. Als we ze kunnen betalen tenminste. Maar goed: ook in de provincie moet het publiek opgevoed en geprikkeld worden, nietwaar?

Ik hoop dan ook op een rijk gevulde saladebak met tal van gekke, verontrustende en nieuwe ingrediënten. Ik ben teleurgesteld door wat ik aantref; een sardineblikje met veel bekend spul. Hier en daar een kappertje. En het ruikt een beetje muffig. Om de volgende drie redenen ben ik teleurgesteld:

1. Hergebruik
Ik zie erg veel recycle-werk. De ene boekbewerking na de andere, en niet eens allemaal van literaire grootheden. Als het maar lekker bekt en bekend in de oren klinkt. “Bewezen” titels worden één op één getransponeerd naar het toneel. Een paar grote acteursnamen erbij, een gearriveerde regisseur erop die aan het werk moet blijven; klaar. Liefst ook nog wat muziek, dan noemen we het muziektheater. Veilig, zeker niet spannend, en appellerend aan de gemakzucht van het grote publiek. Daarnaast nog een ander type recycling: internationale stukken worden naar het Nederlands omgezet. 

2. Nostalgie
Hoeveel terugblikken, tributes, herinneringen en historische bewerkingen kan een mens aan? Blijven de podiumkunsten daarmee de hartenklop van de samenleving volgen? Ik dacht het niet. Ik wéét dat Toon Hermans 100 jaar zou zijn geworden, ik wéét dat Simon & Garfunkel leuke liedjes hadden. Maar vier tribute-shows voor hen beiden? Kom nou. Hiermee infantiliseren we tevens de oudere theaterbezoeker die heus wel andere interesses heeft dan die goede oude radiodagen.

3. Wit, wit, wit
Op het gevaar af te bagatelliseren en veralgemeniseren komt de verkleuring vrijwel geheel voor rekening van het cabaret. En dan ook niet eens van het baanbrekende, ongemakkelijk schurende soort. Nee; we krijgen BraboNeger en de zoveelste show van Roué Verveer en Jandino Asporaat. Daarmee sussen we het provinciale publiek in slaap; “Nee hoor, er staat echt geen revolutie van een jonge zwarte garde voor de deur. Kijk maar; ze zijn niet gevaarlijk. Ze zijn grappig.” Het toneel is nog steeds vrijwel geheel wit, met een enkele verdwaalde zwarte die dan ook nog te vaak getypecast is. Ik schaam me. Verrassende nieuwe stukken van jonge zwarte makers zijn ver te zoeken in het reguliere aanbod voor de schouwburgen. Als je niet in Amsterdam woont hoef je daar blijkbaar niet mee geconfronteerd te worden…

Ik maak één grote uitzondering bij deze situatieschets: het jeugdtheater in Nederland blinkt uit als het gaat over het “pakken” van maatschappelijke thema’s op een hedendaagse, prikkelende en soms ongemakkelijke manier. Soms niet eens in de zaal, maar in een trailer of in een gymzaal. Daar wordt ik regelmatig verrast, overvallen en geconfronteerd met nieuwe vormen, nieuwe makers en nieuwe kleuren. Dit is een voorbeeld voor de rest.

Cultuurshock in eigen stad
Via mijn studiegenoot Marjorie Boston – die zelf al jaren met wisselend succes bovenstaande mechanismen met creatieve middelen bestrijdt – kom ik in contact met Ira Kip. Deze jonge Amsterdamse danser, docent, theatermaker en sinds kort ook producent heeft een gemengde Surinaams-Antilliaanse achtergrond en doorliep de diverse stadia van het zoeken naar een weg in de Nederlandse podiumkunsten. Ik ga met haar in gesprek.

Op de Toneelschool was Ira de enige zwarte. Voor haar een cultuurshock in eigen stad, maar nog niks aan de hand in principe, dacht ze. Ze zou haar draai wel vinden. Dat gebeurde niet. Bij alles wat er gemaakt, voorgesteld en getoond werd dacht ze: “dit gaat niet over mij”. Het gesprek hierover was moeilijk te voeren, de school hing het adagium aan: wij kijken hier niet naar kleur, dat doet er hier helemaal niet toe. Ira wordt beticht van het zichzelf bewust buitensluiten, geen prettige verdachtmaking. Een enkeling schiet haar te hulp en ze redt het tot en met het derde jaar, inclusief propedeuse. Dan haakt ze af.

New York
Er wenkt een nieuwe wereld waar het wél lukt: New York, o.a. via The New School waar ze een master in regie behaalt. Daar doet ieders afkomst en ieders verhaal er enorm toe, blijkt. Daar gedijt ze, en ze ontwikkelt zich er tot volwaardig theatermaker. Nu reist ze heen en weer tussen Curaçao, Aruba, Nederland en de Verenigde Staten. Overal werkt ze met jonge getalenteerde mensen van diverse komaf. Ze heeft haar binding met Nederland ook gekoesterd en onderhoudt warme contacten met groepen zoals Mugmetdegoudentand en Likeminds.

Hoe kijkt Ira terug op haar ontwikkeling en welke tips heeft ze voor de Nederlandse podiumkunsten?
Ira: “Denk globaal, niet lokaal. Maar maak het met de mensen die het snappen. Wacht niet op goedkeuring van de gevestigde orde, maar maak zelf iets. Dat heb ik uiteindelijk ook gedaan. Tegen mij zeiden ze: spelen bij MC Theater geldt eigenlijk niet, dat is niet hoe je er écht bij gaat horen. Nou, dan niet.”

Voor producenten, programmeurs en theaterdirecties heeft ze een opdracht: “Doe nou eens een échte effort om het aanbod te beïnvloeden, te laten verkleuren. Er loopt zoveel talent rond, niet alleen hier, maar ook op Curaçao bijvoorbeeld. Zoek nou eens op andere plekken, zoals Rufus Collins dat bij DNA destijds ook al deed. Die behoefte, die nieuwsgierigheid, die kan toch niet verdwenen zijn?”

We spreken over actuele thema’s en maatschappelijke relevantie op het toneel.
Ira: “Ik maakte in Baltimore een stuk met een LGBTQ-gerelateerde inhoud; “She’Baltimore” met louter zwarte acteurs, met een startbudget van duizend dollar. Heel spannend, het wordt hier niet verwacht van een zwarte vrouw. Het is zó enorm relevant om daar stukken over te blijven maken. Het werd daar een groot succes en hier ook; zes keer een uitverkochte zaal in Amsterdam. Nu maak ik een Shakespeare met een volledige LGBTQ-cast, die gaat volgend jaar in première. Maar She’Baltimore had toen eigenlijk wel een tournee door Nederland verdiend.”

Nog een tip voor makers en producenten: “Pak het serieus aan en besluit dat je staf voor 51% uit gekleurde medewerkers moet bestaan. Diversiteit is niet één gekleurde persoon aan tafel, maar minstens de helft. Kijk eens wat er dan gebeurt met je organisatie, je producties, je publiek. Laat die elitaire angst los en boor nieuw materiaal aan, er is zo veel.”

De toekomst, drie ontwikkelingen

Met de opmerkingen van Ira Kip in mijn achterhoofd beschrijf ik tot slot drie ontwikkelingen in de nabije toekomst van de Nederlandse podiumkunsten, zoals ik die ons toewens.

1. Nieuw repertoire wordt op straat geschreven.
Producenten en regisseurs, ook van de meer toegankelijke producties, gaan vaker op zoek naar nieuw, ook allochtoon schrijftalent. De verhalen van nieuwkomers worden alleen maar belangrijker en talrijker. In het jeugdtheater kunnen we kijken hoe dat kan en hoe dat gaat. En de woorden van Ira Kip indachtig: zoek die jonge schrijvers op, op plaatsen waar je misschien niet vanzelf komt. Verlaat de gemakzucht en je eigen kennissenkring. Dit is tegelijkertijd een oproep aan jonge zwarte makers/schrijvers/acteurs: ga niet zitten wachten en klagen, maar dring je op of creëer je eigen plek. Bel mij op en zeg dat ik jouw nieuwe productie moet zien.

2. Opleidingen zijn ook niet gek
Een contact op de Amsterdamse Toneelschool vertelde me dat in het management nu een jonge Turkse maakster prominent een rol speelt in de ontwikkeling van het educatieplan. Dat werkt als een magneet op de nieuwe aanwas van onderop. Ook gekleurde jongens en meiden van 17, 18 jaar moeten op het idee gebracht worden dat ze acteur, regisseur of danser kunnen worden in Nederland. Wegbereiders heb je daarbij altijd nodig. Intussen ga ik ervan uit dat ze op de opleidingen niet zitten te slapen en dat ze in de gaten hebben dat die hartenklop van de samenleving zichtbaar en voelbaar moet zijn in hetgeen zij afscheiden: de nieuwe generaties toneelmakers die Nederland gaan kleuren, ook letterlijk.

3. Theater, programmeurs en het publiek: ze willen wel, als het maar goed is!
Er komt een moment dat ons publiek bij de zoveelste herinnering aan Wim Sonneveld zegt: “waar gaat dit eigenlijk nog over?” Theaterdirecteuren en programmeurs zeggen dat ze het volk heus willen verheffen, maar de commercie mag niet uit het oog worden verloren. En terecht! Toch komen verheffing en de commercie hier mooi samen: het publiek is immers niet dom. Het publiek wil inhoud, ook in Goirle. Juist in Goirle. Inhoud gekoppeld aan kwaliteit en verrassing.

Ik denk dat ik Ira Kip nog maar eens ga bellen…