27-05-2018

Een vruchtbaar repertoirelandschap.

Lodewijk Reijs vraagt zich in zijn proeve van bekwaamheid aan het einde van LinC 4 af waarom we zo stiefmoederlijk omgaan het bestaande toneel- en muziekrepertoire van eigen bodem.

Het podiumkunstenbeleid is zeer bepalend voor wat er te zien en te horen is op de Nederlandse podia. Het ligt ten grondslag aan de overheidsfinanciering van theater en muziek. In dit beleid is veel aandacht voor de kwaliteit van de uitvoeringen, maar er wordt nauwelijks gesproken over de keuze van de stukken die worden gespeeld, laat staan wat voor repertoirelandschap er ontstaat uit al die keuzes. Het wordt misschien tijd eens beter na te denken over de functie van de repertoirekeuze in de podiumkunsten, en de manier waarop we met ons theater- en muziekerfgoed omgaan.

Kunsten en erfgoed

Je kunt binnen het cultuurlandschap een eenvoudig onderscheid maken tussen kunsten en erfgoed. De kunsten leggen de nadruk op het maken van nieuw werk. Bij erfgoed staat toegankelijk maken en bewaren van eerder gemaakt werk centraal. Muziek en theater zijn  vaak allebei: je hebt de voorstelling die elke avond nieuw is, en de tekst of compositie die daaraan ten grondslag ligt. Sommige stukken zijn eeuwenoud (van Aeschylos tot Dowland), maar er wordt ook volop nieuw werk geschreven.

Zowel oude als nieuwe werken zijn onmisbaar in de podiumkunsten. In onze musea maken we immers ook ruimte voor zowel de meesterschilders uit de Gouden Eeuw als voor hedendaagse beeldende kunstenaars. Voor een levendige cultuur is het cruciaal dat er nieuwe werken worden geschreven die reflecteren op het heden. Andersom geeft de canon van bekende stukken ons inzicht in universele menselijke waarden, en zit hij zit vol schoonheid. Bovendien is er ook een groot publiek voor de klassieke werken. Maar bij de keuze welk repertoire gespeeld wordt, lijkt er zelden aandacht voor de balans tussen oud en nieuw werk, en hoe de verschillende keuzes van theatergroepen en orkesten zich tot elkaar verhouden.

Eenzijdig repertoirelandschap

Het gevolg is dat die verhoudingen soms erg scheef kunnen liggen. Kijk naar de symfonieorkesten: die hebben de taak de Grote Componisten uit te voeren en daarnaast nieuw repertoire te laten horen. In de praktijk spelen de meeste orkesten vooral de bekende werken uit de canon. Het uitvoeren van nieuwe composities wordt grotendeels overgelaten aan het Radio Filharmonisch Orkest.

In het theater zie ik iets vergelijkbaars bij de grote gezelschappen. Bij de nieuwe generatie artistiek leiders geven bijvoorbeeld Guy Weizman en Eric de Vroedt momenteel ruim aandacht aan nieuw geschreven werk. Maar nog niet heel lang geleden was het gros van de grote producties van de stadsgezelschappen gebaseerd op de klassiekers van Tsjechov of Shakespeare. Nieuwe Nederlandse teksten werden vooral geschreven in opdracht van vrije producenten als Hummelinck Stuurman.

#hoedan

Ik vind dat het cultuurbestel beide functies moet borgen. Het moet zorgen voor zowel voldoende nieuw werk als het uitvoeren van gekende oude werken. Alleen al door beide functies expliciet in het beleid te benoemen, ontstaat er een heel ander bewustzijn over erfgoed en nieuw werk binnen de podiumkunsten. Welke plek willen we inruimen voor nieuwe stukken van onze componisten en tekstschrijvers? Gebeurt er op dat vlak genoeg? Hoeveel ruimte is minimaal noodzakelijk voor de klassieke werken?

Ik maak me op dit moment niet echt zorgen of er wel voldoende Bach of Beckett wordt uitgevoerd. Het lijkt me wel goed te onderstrepen dat we dat erfgoed levend willen houden en belangrijk vinden. Het vervult immers een belangrijke en onmisbare functie in het landschap. De repertoirekeuze is bovendien een belangrijk onderdeel van de onderlinge positionering van orkesten en gezelschappen.

Sinds de invoering van de Basisinfrastructuur is het gewoon geworden bepaalde functies te benoemen die we essentieel vinden voor het culturele landschap. Daar zou de onmisbaarheid van erfgoed en nieuw werk in de podiumkunsten prima kunnen worden ingepast. De subsidieverdeling van het Fonds Podiumkunsten is weliswaar niet op functies gebaseerd, maar kan er evengoed ruimte voor maken. Bij het beoordelingscriterium ‘pluriformiteit’ kan het standaard aandacht geven aan repertoirekeuze.

De Raad voor Cultuur doet momenteel voorstellen voor de inrichting van een nieuw cultuurbestel. Dit lijkt me een uitgelezen moment om de positie van oude èn nieuwe toneel- en muziekstukken in de podiumkunsten de aandacht te geven die ze verdienen.

Schatkistbeheer

Als we het levend houden van het erfgoed benoemen als functie die we garanderen binnen het totale podiumkunstenaanbod, zou ik ervoor willen pleiten hierbij dan meteen ook een duidelijke plek in te ruimen voor de schatkist van recent Nederlands werk. Want als er dan eens nieuw werk wordt gepresenteerd, blijft het meestal bij een enkele uitvoering. Toprepertoire van Nederlandse schrijvers en componisten van de afgelopen decennia wordt in de praktijk slechts zelden opnieuw op de planken gezet.

De Materie van Louis Andriessen is een van de belangrijkste werken van de recente Nederlandse muziekgeschiedenis. Sinds zijn wereldpremière in de jaren tachtig is het slechts vier keer te horen geweest in een Nederlandse concertzaal. Prachtig, al die Ibsens en Molières, maar ook stukken van Karst Woudstra, Maria Goos, Rob de Graef of Judith Herzberg verdienen hervertoning. Er is een indrukwekkende stapel composities geschreven voor de Vrijdag van Vredenburg en de ZaterdagMatinee. Vrijwel altijd blijft het bij een of misschien twee uitvoeringen en daarna gaat het werk het archief weer in. Daar moeten toch pareltjes tussen zitten die zich kunnen meten met de bekende werken?

Al dat werk, dat voor een groot deel tot stand is gekomen door investeringen vanuit cultuursubsidies, blijft op deze manier “dood kapitaal”. Het krijgt geen kans de canonieke status te bereiken van Pinter, Jellinek of Albee. Dat is eeuwig zonde.